|
Vanaf 1 januari 2007 moet de nettowaarde van de gezinswoning niet langer opgenomen worden in de aangifte van nalatenschap, althans niet in het aandeel dat toekomst aan de overlevende echtgenoot of (wettelijk of feitelijk) samenwonende partner.
De ingevoerde vrijstelling heeft betrekking op de gezinswoning die door de erflater (de overledene) en de overlevende echtgenoot of samenwonende gebruikt werd op het ogenblik van het overlijden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister is een weerlegbaar vermoeden van de samenwoning in die woning. Als gezinswoning komt eveneens in aanmerking de laatste gezinswoning van de echtgenoten of samenwonenden ingeval van feitelijke scheiding, bij verblijf van een van beide echtgenoten of partners in een rust- of verzorgingsinstelling, een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening of bij elk geval van overmacht die het samenleven tot op het ogenblik van overlijden onmogelijk heeft gemaakt. De vrijstelling van successierechten geldt dus enkel voor het onroerend goed dat als gezamenlijke hoofdverblijfplaats diende op de dag van het overlijden of dat als laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats heeft gediend. De vrijstelling geldt voor het deel van de gezinswoning dat ingevolge overlijden toekomt aan de langstlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de feitelijk samenwonende. De vrijstelling zou gelden voor al hetgeen de langstlevende verkrijgt (vruchtgebruik, blote of volle eigendom) en dit ongeacht de wijze van verkrijging (op basis van het erfrecht, het huwelijksstelsel, een testament, een fictieartikel uit het Wetboek van Successierechten, of anderzins). De vrijstelling geldt op de nettowaarde van de gezinswoning: - de schulden en de begrafeniskosten blijven bij voorrang aan te rekenen op de roerende goederen en op de goederen bedoeld bij artikel 60bis W. Succ. (familiale ondernemingen), tenzij die welke specifiek werden aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden;
- het aandeel van de langstlevende of samenwonende in de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden worden bij voorrang aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning. In de aangifte van nalatenschap moet uitdrukkelijk vermeld worden dat deze schulden met dat doel werden aangegaan.
Wie kan genieten van de vrijstelling? - de langstlevende echtgenoot of echtgenote;
- de wettelijk samenwonende partner zoals gedefinieerd in de artikelen 1475 en 1476 van het Burgerlijk Wetboek, zijnde de persoon die samen met de erflater een verklaring van wettelijk samenwonen heeft afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats;
- de feitelijk samenwonende partner. Voor de toepassing van het tarief tussen echtgenoten en in rechte lijn (art. 48 W. Succ.) is dit de persoon die ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwoonde en er een gemeenschappelijke huishouding mee voerde. Voor de vrijstelling is evenwel vereist dat de feitelijk samenwonende partner op de dag van het openvallen van de nalatenschap ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwoonde er een gemeenschappelijke huishouding mee voerde.
De vrijstelling geldt niet voor de bloedverwanten in rechte lijn (inwonende kinderen, kleinkinderen, …) en de rechtverkrijgenden die voor de toepassing van het tarief van successierechten hiermee gelijkgesteld worden.
|