Home | Contacteer ons | Wettelijke tekst | Accountantsadvies.be | Internationale website
Home arrow Artikels arrow Vereffening en oprichting nieuwe vennootschap: liquidatie-uitkering of dividend?
Nieuwsbrief



Home
HVR medewerkers
KMO-portefeuille
Diensten
Artikels
Links
Partners
E-accounting
Dossiers
Vacature
Kalender
October
Betaling provisie RSZ
5 October 2012
RSS feeds HVR
Abonneer u op de RSS feeds van HVR
feed image
 
Vereffening en oprichting nieuwe vennootschap: liquidatie-uitkering of dividend? PDF Afdrukken E-mail
Monday 16 October 2006

Dit vonnis stelt de Administratie in het ongelijk in haar betoog dat een quasi gelijktijdige vereffening van de bestaande vennootschap en de oprichting van een nieuwe vennootschap - met dezelfde activiteiten, naam, zaakvoerders, aandeelhouders, enzoverder - niet aanschouwd moet worden als een (destijds) niet-belastbare liquidatie-uitkering, maar een gewone dividenduitkeirng onderworpen aan de roerende voorheffing.

De situatie: Eiseres ging in vereffening en keerde een liquidatiebonus uit zonder inhouding van roerende voorheffing. De belastingdienst heeft, onder aanvoering van artikel 344 §1 WIB92 en onder voorlegging van een aantal gegevens waaruit bleek dat de activiteit van eiseres werd voortgezet in een nieuw opgerichte vennootschap, de verrichting bestempeld als gewone uitkering van reserves waarop roerende voorheffing in te houden is, onder bovendien brutering van de belastbare basis. De Rechtbank oordeelde dat uit de opgesomde elementen echter niet met redelijke zekerheid blijkt dat de oprichting van de nieuwe vennootschap, het geleidelijk aan verder werken middels de nieuwe vennootschap, en de uiteindelijke ontbinding van eiseres, zijn uitgezet met oogmerk laat staan met het louter oogmerk tot ontsnapping aan de roerende voorheffing op uitkering van al ten tijde der oprichting der nieuwe vennootschap bestaande reserve nu daaraan te dezen onvoldoende onderzoek in die zin blijkt te zijn voorafgegaan. Er dient te worden besloten dat de bestreden aanslag dan ook is gevestigd op een willekeurige belastbare grondslag, wat aanleiding vormt tot zijn vernietiging.

Wanneer men dit vonnis leest, dan ziet men dat de Belastingadministratie de vechtkamp "op punten" verloren heeft: het betreft voornamelijk de niet-afdoende uiteenzetting in de kennisgeving tot aanslag van ambtswege (het niet afdoende onderzocht hebben van alle mogelijke feitelijke omstandigheden en documenten die voorhanden waren) die ervoor gezorgd heeft dat de Belastingadministratie verloren heeft. Men kan dus niet zonde rmeer afleiden dat dit in alle gevallen niet belastbaar zal zijn.

Deze discussie is momenteel fel verminderd, gezien liquidatie-uitkeringen momenteel ook onderworpen zijn aan een roerende voorheffing weliswaar slechts van tien procent. In vergelijking met de roerende voorheffing op dividenden (15 of 25 procent) kan het dus nog steeds de moeite lonen om de bestaande vennootschap te vereffenen en een nieuwe vennootschap op te starten. Onderstaand vonnis kan dan een inzicht geven in de elementen waarop de fiscus eventueel probeert te steunen om dit te herkwalificeren.


Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 06.03.2006

Advocaten:

Meester J. Schrijvers loco Meester L. Dillen - voor de eiser

Eisende partij is B.V.B.A. L die in vereffening is gesteld op 27 maart 1997 en waarvan de vereffening op dezelfde dag is gesloten.

Op 22 december 1999 is in haren hoofde aanslag gevestigd in de roerende voorheffing voor aanslagjaar 1997.

Haar nog slechts passieve bestaan belette haar geenszins om alsnog bezwaar in te dienen en om naderhand vordering voor de rechtbank in te stellen, nu deze beide handelingen moeten worden gezien als louter verweer op de nog in haren hoofde gevestigde belastingaanslag.

Zij is aldus gedingpartij en wordt in het geding vertegenwoordigd door haar ex vereffenaar.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat overigens niet in betwisting, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

Eiseres heeft op 30 september 1997 aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend voor aanslagjaar 1997 Speciaal over periode 1 april 1996 tot en met 27 maart 1997.

In die aangifte wordt opgave gedaan van uitkering van 10.189.927,- BEF, nu te lezen als 252.601,69 EUR, uit de wettelijke plus beschikbare reserves.

Hierop werd geen roerende voorheffing ingehouden omdat eiseres de verrichting aanzag als liquidatie-uitkering.

Met kennisgeving van aanslag van ambtswege van 27 augustus 1998, naderhand aangepast via kennisgeving van aanslag van ambtswege van 3 november 1999, heeft de belastingdienst, onder aanvoering van artikel 344 §1 WIB92 en onder voorlegging van een aantal gegevens, de verrichting bestempeld als gewone uitkering van reserves waarop roerende voorheffing in te houden is, onder bovendien brutering van de belastbare basis.

De vereffenaar heeft hierop gemotiveerd geantwoord onder niet akkoord, via gevolmachtigde.

Zonder de toentertijd nog niet verplichte repliek van artikel 352bis WIB92 is er ingekohierd op 22 december 1999, en op 21 januari 2000 kwam ter gewestelijke directie namens eiseres bezwaar in door haar ex vereffenaar.

Een gedelegeerd ambtenaar wees met beslissing van 9 november 2001 het bezwaarschrift af, behalve op het punt waarop brutering was doorgevoerd en in die laatste mate werd ontheffing verleend.

Raadsman voor eiseres legde op 4 januari 2002 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van vermelde beslissing neer.

Zoals hogerop reeds uiteengezet, staat toelaatbaarheid der vordering niet in betwisting. In de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft de belastingdienst opgegeven

- dat de ontbinding van eiseres volgde op de oprichting van ene B.V.B.A. L (data van ontbinding respectievelijk oprichting in de kennisgeving niet opgegeven)

- dat de maatschappelijke zetels hetzelfde adres hebben

- dat de namen nauwelijks verschillen, ’alsof het de bedoeling is geweest de klanten en de leveranciers er op te wijzen dat de activiteit van de firma eigenlijk wordt verder gezet’

- dat de aandeelhouders en de zaakvoerder dezelfden zijn als voorheen

- dat materieel en personeel zijn overgenomen

- dat het maatschappelijk doel van beide vennootschappen overeenstemt

- dat bij oprichting der nieuwe vennootschap nieuwe aanvraag voor registratie als aan-nemer diende te geschieden, terwijl de erkenning voor de oude pas in mei 1996 was gebeurd, en dat tot erkenning van de nieuwe vennootschap er nog facturatie gebeurde door de oude

- dat facturen van de oude vennootschap werden betaald op rekening van de nieuwe ’en omgekeerd (cfr. R/C bvba H in de nieuwe vennootschap)’.

Daaruit leidde de taxatieambtenaar af dat "duidelijk" ’(blijkt) dat het nooit de bedoeling is geweest de activiteit stop te zetten’, en dat ’de ontbinding enkel (heeft) plaatsgevonden om belastingen te ontwijken’.

Hij vertrok alzo van twee akten, zijnde oprichting van een parallelle vennootschap gevolgd door ontbinding van eiseres, om onder opgave van omstandigheden te concluderen dat, door kwalificatie van de uitkering als liquidatie-uitkering, eiseres ontwijking had nagestreefd van roerende voorheffing op dividenduitkering, gelet op reële economische bedrijfscontinuďteit.

Eiseres voert niet alleen aan dat zij alle gevolgen van haar ontbinding heeft aanvaard, maar ze stelt daarnaast vooral dat de belastingdienst niet onder artikel 344 §1 WIB92 heeft vastgesteld dat ze met haar ontbinding louter en slechts fiscaal voordeel heeft nagestreefd.

Artikel 344 §1 WIB92 legt de belastingdienst op om, middels door art.340 WIB92 toegelaten bewijsmiddelen, vast te stellen dat de door eiseres aan de uitkering gegeven kwalificatie (van liquidatie-uitkering) tot doel had belasting (roerende voorheffing) te ontwijken.

Eiseres toont zich in haar conclusie niet echt bereid mede te werken aan de waarheidsvinding ter zake de hoofdbewijslast, kaatst in dit verband de bal naar de belastingdienst.

Nieuwe vennootschap B.V.B.A. L blijkt opgericht met akte van 19 oktober 1995 (Bijlagen B.S. 951108-...).

Eiseres blijkt ontbonden op 27 maart 1997, gepaard met vaststelling van reeds geschiede ’de facto vereffening door de heer Antoine H’ (Bijlagen B.S. 970416-...).

De belastingdienst en met hem nu ook verweerder brengen elementen aan dat de vereffening van eiseres geleidelijk over periode van 15 maand is geschied door overzetting van materieel, personeel, registratie als aannemer, facturatie door de ene voor de andere, en door betalingen op rekeningen zonder veel kommer om het onderscheid tussen de rechtspersonen.

De stelling van de belastingdienst dat zulk geheel van gegevens doet blijken dat het oogmerk van eiseres daarmede louter lag in ontwijking van roerende voorheffing op reserveuitkering, doet te dezen tot uiting komen dat hij daarbij weinig of geen onderscheid maakte tussen de te bewijzen oorzaak en slechts door hem gedane gevolgtrekkingen in de zin van zulke oorzaak.

In de kennisgevingen van aanslag van ambtswege gebeurde er alvast geen opgave van tijdstip van oprichting der nieuwe vennootschap, noch had men tevoren blijkbaar nagegaan of er een bijzondere oorzaak ten grondslag lag aan haar oprichting.

In de kennisgevingen werd niet opgegeven of er was nagegaan hoe en wanneer in de loop van de werking van eiseres haar reserveopbouw tot stand was gekomen, in welke mate de opbouw der reserves alzo al of niet eerder was ontstaan dan de oprichting der nieuwe vennootschap.

Uit de kennisgevingen komt niet tot uiting of de taxatieambtenaar kennis had genomen van de door art.178bis Vennootschappenwet (dat later art.181 Wetboek van Vennootschappen werd) voorgeschreven verslagen van de zaakvoerder en van de accountant, vermeld in de publicatie in het Staatsblad (zie hogerop) ter gelegenheid van de ontbinding van eiseres.

Uit de kennisgevingen komt niet tot uiting wanneer en op welke manier de gestelde overname van personeel en materieel was geschied.

Uit de kennisgevingen komt niet tot uiting of wel was nagegaan of de, in de sluitingsakte van eiseres vermelde, ’de facto vereffening’ wel of niet was doorgevoerd, en zo ja hoe.

Uit de in de kennisgevingen wel opgesomde elementen komt weliswaar naar voren dat eiseres blijkbaar slecht overweg kon met haar bestaan als afzonderlijke rechtspersoon, nu op zakelijk gebied (facturatie, rekeningen) weinig onderscheid werd gemaakt tussen haar belangen en die van de nieuwe vennootschap, waarvan ook facturatie nog ten name van eiseres getuigt zolang geen registratie als aannemer was toegekend aan de nieuwe vennootschap.

Uit de opgesomde elementen blijkt echter niet met redelijke zekerheid dat de oprichting van de nieuwe vennootschap, het geleidelijk aan verder werken middels de nieuwe vennootschap, en de uiteindelijke ontbinding van eiseres, zijn uitgezet met oogmerk laat staan met het louter oogmerk tot ontsnapping aan roerende voorheffing op uitkering van al ten tijde der oprichting der nieuwe vennootschap bestaande reserve, of in voorkomend geval in welke mate zulks dan wel zo was, nu daaraan te dezen onvoldoende onderzoek in die zin blijkt te zijn voorafgegaan.

Het loutere gegeven dat de geconstateerde feitenconstellatie op zijn zachtst gezegd overkwam als vreemd en als niet ingegeven door enige aanwijsbare doelstelling, kon evenwel van daaruit te dezen, zonder noodzakelijk nader onderzoek, niet leiden tot de positieve gevolgtrekking dat daaraan als doel, laat staan enig doel, ontwijking van roerende voorheffing ten grondslag lag.

Hoewel de belastingdienst - zonder aantasting van het gegeven der juridische vereffening van eiseres - de reserve-uitkering mocht trachten te bewijzen als niet gebeurd in het kader van die vereffening, is te dezen aldus dit door artikel 344 §1 WIB92 vereiste hoofdbewijs (vaststelling door middel van vermoedens of door andere in artikel 340 WIB92 vermelde bewijsmiddelen) van ontwijking van roerende voorheffing niet geleverd.

Er dient te worden besloten dat de bestreden aanslag is gevestigd op willekeurige belastbare grondslag, wat aanleiding vormt tot zijn vernietiging.

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, en als volgt gegrond,

Vernietigt aanslag kohierartikel 940591 van 22 december 1999 voor aanslagjaar 1997 in de roerende voorheffing in hoofde van eiseres voor gemeente Antwerpen,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres, te dezen aan de ex vereffenaar qq., van elke uit hoofde der vernietigde aanslag betaalde som, meer moratoriumintrest overeenkomstig artikel 418 WIB92,

Veroordeelt verweerder tot de kosten

Rechtbank:

L. Boeynaems, enig rechter

Laatst geupdate ( Tuesday 24 October 2006 )
< Vorige   Volgende >