Home | Contacteer ons | Wettelijke tekst | Accountantsadvies.be | Internationale website
Home arrow Artikels arrow De notionele interestaftrek: een fraai fiscaal geschenk
Nieuwsbrief



Home
HVR medewerkers
KMO-portefeuille
Diensten
Artikels
Links
Partners
E-accounting
Dossiers
Vacature
Kalender
October
Betaling provisie RSZ
5 October 2012
RSS feeds HVR
Abonneer u op de RSS feeds van HVR
feed image
 
De notionele interestaftrek: een fraai fiscaal geschenk PDF Afdrukken E-mail
Sunday 17 September 2006
Met de Wet van 22 juni 2005 is het systeem van de zogenaamde notionele interestaftrek ingevoerd in onze vennootschapsbelasting (art. 205bis tot 205novies W.I.B.1992). Officieel noemt het systeem zich de belastingaftrek voor risicokapitaal.

Vanaf het aanslagjaar 2007 kan een vennootschap jaarlijks een bedrag gelijk aan een percentage van haar gecorrigeerd eigen vermogen aftrekken van haar belastbare winst via het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting.

Deze aftrek gebeurt direct ná de DBI-aftrek maar vóór de recuperatie van vroegere fiscale verliezen. Bij gebrek aan voldoende winst is de niet-benutte aftrek overdraagbaar naar de komende zeven jaren.

Het exacte bedrag van de aftrek voor risicokapitaal wordt bekomen door het risicokapitaal te vermenigvuldigen met het toepasselijke rentetarief. Maar hoe wordt dit nu concreet toegepast?

1. Tarief = jaarlijks te bepalen percentage

Basistarief

Het tarief van de interestaftrek voor risicokapitaal is een jaarlijks bepaald percentage. Voor aanslagjaar 2007 is dit op 3,44 procent vastgesteld.

Kleine vennootschappen: basispercentage + 0,5

KMO-vennootschappen die voldoen aan de definitie van kleine vennootschap op grond van artikel 15 § 1 van het Wetboek van Vennootschappen (dat zijn de vennootschappen die een verkorte jaarrekening neerleggen) genieten een verhoogde aftrek. De algemene rentevoet wordt voor hen verhoogd met 0,5 procent en bedraagt dus voor aanslagjaar 2007 3,94 procent.

Boekjaar langer of korter dan 12 maanden

Duurt het boekjaar langer of korter dan 12 maanden, dan wordt het tarief van de notionele interest vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het totaal aantal dagen van het belastbare tijdperk en de noemer gelijk is aan 365. Dit betekent dat het tarief pro rata temporis (op dagbasis) vermeerderd of verminderd wordt als het boekjaar meer of minder dan twaalf maanden telt.

2. Risicokapitaal = gecorrigeerd eigen vermogen

De berekeningsgrondslag (het risicokapitaal) bestaat uit het boekhoudkundig eigen vermogen per einde van het vorige boekjaar, in voorkomend geval gecorrigeerd met de volgende bedragen:

  • fiscale netto-waarde van de aangehouden eigen aandelen
  • fiscale netto-waarde van aandelen opgenomen onder de financiële vaste activa
  • fiscale waarde van aandelen in DBI-beleggingsvennootschappen
  • netto-actief van buitenlandse inrichtingen in land met verdrag
  • netto-actief van buitenlandse onroerende goederen in land met verdrag
  • boekwaarde van activa in zover de kosten ervan de beroepsbehoeften op onredelijke wijze overtreffen
  • boekwaarde van beleggingen zonder periodieke belastbare inkomsten
  • boekwaarde van onroerende goederen of zakelijke rechten daarop, die gebruikt worden door bedrijfsleiders, hun echtgeno(o)t(e) of hun minderjarige kinderen
  • herwaarderingsmeerwaarden (nog niet afgeschreven deel)
  • kapitaalssubsidies (netto gedeelte)

Wanneer bepaalde posten (inclusief het eigen vermogen) zich wijzigen tijdens het boekjaar dient de wijziging pro rata temporis in + of - opgenomen worden in de bepaling van het risicokapitaal.

2.1. Het boekhoudkundig eigen vermogen als vertrekpunt

Bij de berekening vertrekken we van het boekhoudkundig eigen vermogen aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk waarvoor de notionele aftrek wordt gevraagd.

In de praktijk telt dus het eigen vermogen (bepaald conform de boekhoudwetgeving) uit de beginbalans van het boekjaar waarvoor men de aftrek voor risicokapitaal wil toepassen. Een vennootschap (met een boekjaar per kalenderjaar) die de nieuwe aftrek voor risicokapitaal toepast voor het aanslagjaar 2007, vertrekt derhalve van haar boekhoudkundig eigen vermogen op 31 december 2005. Bij een pas opgerichte vennootschap wordt het risicokapitaal afgeleid uit de openingsbalans bij gebrek aan een voorgaand jaar.

Er wordt géén rekening gehouden met fiscale onderschattingen van activa of overschattingen van passiva. Het boekhoudkundig eigen vermogen bestaat uit volgende componenten:
I.   Kapitaal (klasse 10)
II.  Uitgiftepremies (klasse 11)
III. Herwaarderingsmeerwaarden (klasse 12)
IV. Reserves - wettelijke, onbeschikbare, beschikbare, belastingvrije (klasse 13)
V.  Overgedragen winst of verlies (klasse 14)
VI. Kapitaalsubsidies (klasse 15)

Voor Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen is de aftrek gelijk aan een percentage van het boekhoudkundig vermogen dat toewijsbaar is aan die Belgische inrichting. Vereist is dan wel dat zij een jaarrekening opmaken en een boekhouding voeren volgens de boekhoudwetgeving.

2.2. Correcties op het boekhoudkundig eigen vermogen

Op dat boekhoudkundig eigen vermogen dienen diverse correcties te worden doorgevoerd om dubbeltellingen te voorkomen en misbruiken te vermijden. In geval van twijfel moet de belastingadministratie het bewijs aanvoeren dat een actief is uitgesloten.

1ste correctie:  m.b.t. aandelen en deelnemingen

De fiscale netto-waarde van de volgende aandelen moet in mindering van het boekhoudkundig eigen vermogen worden gebracht:

  • eigen aandelen
  • deelnemingen en andere aandelen opgenomen onder de financiële vaste activa (FVA)
  • aandelen van beleggingsvennootschappen, waarvan de eventuele inkomsten kunnen genieten van de DBI-aftrek

Als de dochtervennootschap gebruik maakt van de aftrek voor risicokapitaal, ontzegt men ‘diezelfde’ aftrek aan de moedervennootschap door de waarde van de participatie in mindering te brengen van de berekeningsgrondslag voor de aftrek. Enkel de aandelen van de klasse 28 worden uitgesloten en niet de vorderingen opgenomen onder die klasse.

Aandelen in beleggingsvennootschappen worden enkel uit het vermogen gehaald als ze voor de DBI-aftrek in aanmerking komen. Zodoende vermijdt men de combinatie van én DBI-aftrek én notionele aftrek.

De waarde die uit de berekeningsbasis gehaald moet worden, is niet de boekwaarde maar wel de fiscale netto-waarde van de aandelen en deelnemingen bij het begin van het boekjaar verbonden aan het aanslagjaar waarvoor men aftrek voor risicokapitaal wenst. De fiscale netto-waarde van aandelen en deelnemingen is gelijk aan de oorspronkelijke aanschaffingswaarde min de fiscaal verantwoorde waardeverminderingen die overeenstemmen met een werkelijke waardedaling.

2de correctie: buitenlandse vaste inrichtingen

Beschikt een vennootschap over een vaste inrichting in een verdragsland waarvan de inkomsten in België vrijgesteld zijn, dan krijgt ze geen notionele interestaftrek op het eigen vermogen dat kan toegerekend worden aan die inrichting.

Het eigen vermogen van de vennootschap moet dan gecorrigeerd worden met netto boekwaarde van de activabestanddelen die toegewezen worden aan de buitenlandse inrichting verminderd met de schulden en de voorzieningen die aan de inrichting toerekenbaar zijn.

3de correctie: in buitenland gelegen onroerende goederen

Een vennootschap geniet geen notionele interestaftrek op haar netto investering in een buitenlands onroerend goed of de zakelijke rechten daarop gelegen in een verdragsland indien dat onroerend goed niet behoort tot een buitenlandse inrichting. Ingeval het onroerend goed toch deel uitmaakt van een buitenlandse inrichting in een verdragsland,  dan is het sowieso uitgesloten via de tweede correctie.

Net zoals ingeval de vennootschap over een buitenlandse inrichting beschikt, is ook hier de correctie gelijk aan de netto boekwaarde van dat onroerend goed verminderd met de daarop aanrekenbare schulden en voorzieningen.

4de correctie:  “vermogensbesmettende activa”

Drie categorieën van ‘buitensporige’ activa moeten ook uit het eigen vermogen verwijderd worden:

1. de netto boekwaarde van materiële vaste activa of een gedeelte ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten op een onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen.

Geviseerd worden de materiële vaste activa waarvan de kosten op een onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen en daardoor zouden verworpen worden op basis van artikel 53, 10° W.I.B.1992. We denken hier bijvoorbeeld aan de dure Ferrari die op het actief van een vennootschap staat. Enkel het overdreven deel van de netto-boekwaarde van de bewuste activa moet uit het eigen vermogen worden gehaald.

In zo’n situatie botst de vennootschap op een dubbel nadeel: het overdreven stuk van de kosten is niet als beroepskost aftrekbaar en het overdreven deel van het actief wordt geweerd uit de berekeningsbasis voor de aftrek risicokapitaal.

In de praktijk zal deze correctie onvermijdelijk discussies uitlokken gelet op de talrijke rechtspraak over dure wagens. Als de belastingadministratie de kosten van dure auto’s als onredelijk gaat betitelen, riskeert zij in de buurt te komen van een verboden opportuniteitsbeoordeling. Het is immers moeilijk om een duidelijke lijn te trekken en exact vast te stellen wat precies overdreven is.

2. de boekwaarde van de bestanddelen die als een belegging worden gehouden en die door de aard ervan niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen.

Om onder deze uitsluiting te vallen moet het actief aan 2 voorwaarden voldoen:

  • abstracte voorwaarde: het moet gaan om een actief dat door zijn aard normaal gezien niet bestemd is om een periodiek belastbaar inkomen voort te brengen zoals bijvoorbeeld kunstwerken, schilderijen, juwelen. Het begrip periodiek inkomen sluit niet alleen de meerwaarden uit maar ook de uitzonderlijke en secundaire inkomsten, zoals bv. occasionele verhuurinkomsten van een kunstwerk.
  • concrete voorwaarde: het betrokken actief moet als belegging worden aangehouden. Het gaat om activa die men passief bezit, zonder dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks dienen voor de uitoefening van de economische activiteit die door de vennootschap effectief wordt verricht, zoals een handels-, industriële of landbouwactiviteit of de uitoefening van een vrij beroep.

De als belegging gekochte gronden moeten uit het eigen vermogen gehaald worden, behalve indien die gronden toebehoren aan een landbouwvennootschap. Hoewel een grond strikt genomen wel degelijk een periodiek (kadastraal) inkomen geeft.

Kapitalisatie-BEVEKS vallen onder deze uitsluitingscategorie omdat zij als belegging géén periodiek belastbaar inkomen geven (enkel een meerwaarde). De distributie-BEVEKS zijn niet uitgesloten dankzij hun periodiek dividend.

3. de boekwaarde van onroerende goederen of andere zakelijke rechten m.b.t. dergelijke goederen van de vennootschap waarvan hun bedrijfsleider (bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar van de vennootschap) alsook de echtgeno(o)t(e) ervan of de niet-ontvoogde minderjarige kinderen van hiervoor genoemde personen het gebruik ervan hebben.

Het gebruik moet afgestaan zijn aan een bedrijfsleider, zijn echtgenoot of de minderjarige kinderen. Het gaat dus om de natuurlijke personen die een mandaat als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een soortgelijke functie vervullen in de vennootschap. Voornamelijk de villavennootschappen delen hierdoor in de klappen. Het doet er niet toe of de bedrijfsleider/echtgenote/minderjarige kind een huurprijs betaalt aan de vennootschap. Zelfs als de bedrijfsleider een volledig marktconforme huur aan de vennootschap betaalt voor het privé-gebruik van de woning, wordt er geen notionele aftrek toegestaan op de boekwaarde ervan. Het “gebruik” door de aangeduide personen is het enige wettelijke criterium voor uitsluiting.

De volledige boekwaarde van het gebouw moet uit het eigen vermogen gehaald worden en dus niet enkel het proportionele gedeelte dat privé wordt gebruikt. De wettekst sluit immers uitdrukkelijk de boekwaarde van het onroerend goed uit en niet een deel ervan.

Ook de zakelijke rechten op onroerende goederen worden geviseerd. Indien de vennootschap het vruchtgebruik van een gebouw bezit en dat gebouw wordt privé bewoond door de zaakvoerder, dan moet de boekwaarde van het vruchtgebruik integraal afgetrokken worden van het eigen vermogen van de vennootschap.

5de correctie: herwaarderingsmeerwaarden en kapitaalsubsidies

Het risicokapitaal wordt verminderd met uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarden die geen betrekking hebben op actiefbestanddelen die nog niet eerder uitgesloten waren onder de vorige punten. Het eigen vermogen wordt enkel verminderd met het nog niet afgeschreven gedeelte van herwaarderingsmeerwaarden.

De geboekte afschrijvingen op herwaarderingsmeerwaarden zijn reeds onder de belaste reserves opgenomen. Deze uitsluiting blijft gelden wanneer een vennootschap de herwaarderingsmeerwaarde in haar kapitaal incorporeert. Herwaarderingen op de reeds uitgesloten actiefbestanddelen zijn al via de vorige correcties uit het eigen vermogen gegaan (ingecalculeerd in de boekwaarde).

Ook kapitaalsubsidies moeten uit de berekeningsbasis gehaald worden voor hun netto-deel (passiefrekening “ 15” ). De uitgestelde belastingen op die subsidie worden genoteerd op de passiefrekening “168 “ en behoren niet tot het eigen vermogen.

6de correctie: wijzigingen in de loop van het belastbare tijdperk

Als de waarde van het eigen vermogen en/of van één van de bedoelde correctieposten (behalve die voor buitenlandse inrichtingen) gedurende het boekjaar zelf wijzigen, dan moet het risicokapitaal naargelang het geval pro rata temporis vermeerderd of verminderd worden.

Het bedrag van zulke wijziging moet berekend worden als een gewogen gemiddelde waarbij iedere wijziging geacht wordt te hebben plaatsgevonden op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

Elke beweging wordt dus vermenigvuldigd met het aantal kalendermaanden die nog blijven lopen en gedeeld door het totale aantal kalendermaanden van het belastbaar tijdperk om de gewogen gemiddelde wijziging in min of meer te bekomen.

Het feit dat de bewegingen zowel in plus als in min werken, heeft ook zijn positieve kanten. Een kapitaalverhoging in (het begin van) het boekjaar telt niet alleen mee voor het eigen vermogen op het einde van dat boekjaar, maar ook – zij het pro rata – als positieve correctie op het eigen vermogen van het voorgaande boekjaar.

Schommelingen van winstbestanddelen naar aanleiding van het dagelijks resultaat van de onderneming geven gelukkig géén aanleiding tot een correctie, aldus de Minister van Financiën. Met wijziging in het eigen vermogen wordt bedoeld een verhoging of verlaging van kapitaal, of een herwaardering, en dergelijke meer. De berekeningsbasis zal vermeerderd worden indien:

  • “slechte” correctie-bestanddelen tijdens het boekjaar verminderen
  • “goede” bestanddelen van het eigen vermogen verhogen tijdens het boekjaar

De berekeningsbasis zal verminderd worden indien:

  • “slechte” correctie-bestanddelen tijdens het boekjaar toenemen
  • “goede” bestanddelen van het eigen vermogen afnemen tijdens het boekjaar

3. Cumulatieverbod met de investeringsreserve

De KMO-vennootschappen die genieten van het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting zullen moeten kiezen tussen de toepassing van de notionele interestaftrek of de vrijgestelde investeringsreserve. De combinatie van de twee systemen is niet mogelijk.

Wanneer een KMO-vennootschap opteert voor de investeringsreserve, dan verliest zij voor dat jaar zelf én voor de twee volgende belastbare tijdperken het recht op de notionele interestaftrek. Die overbruggingsperiode (jaar van keuze + 2 volgende jaren) maakt de investeringsreserve meteen veel minder interessant vanaf het aanslagjaar 2007.

In de omgekeerde richting geldt dat cumulatieverbod niet: wie voor aanslagjaar 2007 direct kiest voor de notionele interestaftrek, mag voor het aanslagjaar 2008 probleemloos overschakelen op de investeringsreserve (voor zover de vennootschap geniet van het verlaagd opklimmend tarief).

De KMO-vennootschappen leggen dus best voor het boekjaar 2005 (=aanslagjaar 2006) nog een belastingvrije investeringsreserve aan. Ze mogen immers voor het aanslagjaar 2007 toch al onmiddellijk overschakelen op de nieuwe aftrek voor risicokapitaal.

4. Fiscale opportuniteiten

Rekening houdende met de berekening van het risicokapitaal ontstaan heel wat mogelijke fiscale opportuniteiten om de berekeningsbasis zo groot mogelijk te maken.

Optimalisaties van het eigen vermogen

Kapitaalsverhogingen

Iedere aanbreng van vers kapitaal in geld en/of in niet-besmette activa versterkt het eigen vermogen van de vennootschap en maakt de fiscale notionele aftrek groter.

Terugboeken van afschrijvingsexcedenten

Indien de vennootschap in het verleden bepaalde activa te snel heeft afgeschreven en de administratie de afschrijvingsexcedenten fiscaal heeft belast, dan is het opportuun om de boekhouding daaraan aan te passen. De vennootschap boekt dan het overdreven afschrijvingsbedrag terug. Door uitzonderlijke opbrengsten uit te drukken groeit het boekhoudkundig vermogen (= hogere basis voor de notionele aftrek) terwijl de vorige excedenten tot nul worden herleid via het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting.

Gespreide taxatie van meerwaarde

Indien de vennootschap ervoor opteert om de door haar gerealiseerde meerwaarden gespreid in de tijd te laten belasten, dan boekt zij de netto meerwaarde op het credit van de rekening 132 ‘belastingvrije reserve’. Deze keuze krijgt nu een extra aantrekking: enerzijds zorgt men voor uitstel van taxatie en anderzijds stijgt het eigen vermogen door die rekening 132 zodat de notionele interestaftrek toeneemt.

Wie in het verleden beroep deed op de gespreide taxatie, kan zelfs het toekomstige belastingdeel van de rekening 168 ‘uitgestelde belastingen’ transfereren naar de rekening 132 ‘belastingvrije reserves’ als men kan aantonen dat er in de toekomst geen vennootschapsbelasting verschuldigd zal zijn (o.a. mede door de nieuwe aftrek).

Optimalisaties van de activa

Indien de vennootschap beschikt over “besmette activa” die opgesomd staan onder de correcties, dan heeft zij er baat bij om die “slechte” actiefbestanddelen af te stoten.

Indien die activa strikt noodzakelijk zijn voor de operationele activiteiten van de vennootschap kan men eventueel een ‘sale and rent back operatie’ overwegen. De vennootschap verkoopt dan haar besmette activa en huurt ze daarna terug onder de vorm van een huurcontract. Het actiefbestanddeel is dan verdwenen van de balans en in de plaats daarvan trekt de vennootschap de betaalde huur af als beroepskosten.

Binnen een groep van bedrijven kan een vennootschap met een aanzienlijk vermogen haar aandelenparticipaties verkopen (desgevallend met een vrijstelbare meerwaarde) aan een andere verbonden vennootschap die sowieso toch weinig kan profiteren van de nieuwe aftrek door de samenstelling van haar vermogen.  Door die aandelenverkoop zuivert de eerste vennootschap immers haar risicokapitaal wat de notionele aftrek ten goede komt.

Laatst geupdate ( Sunday 30 March 2008 )
< Vorige   Volgende >