|
De belastingplichtige is geregistreerd als groot- en kleinhandelaar in frituur- en restaurantartikelen. Maar de administratie heeft vastgesteld dat het eerder een groothandel in frituurbenodigdheden betreft waar frituuruitbaters zich komen bevoorraden. Dus moet de belastingplichtige voor elke levering een factuur uit te reiken. De belastingplichtige heeft op opgestelde stukken de identiteit van de diverse afnemers niet vermeld, maar wel “kasverkopen”. Hierdoor maakt de belastingplichtige de ontduiking van belasting mogelijk.
De Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen heeft op 1 februari 2006 een vonnis gewezen dat een mijlpaal zou worden in de strijd tegen de fiscale fraude en de daaruit voortvloeiende leveringen in het zwart. Men zou kunnen denken dat alleen de auteur van fiscale fraude zich de woede van de belastingadministratie op de hals zou halen. De Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen veroordeelde onlangs een onderneming die btw had betaald op de leveringen, maar ze had aangegeven als verkoop ‘met afhaling van goederen’ (zonder factuur) en niet als verkoop aan btw-plichtigen (met factuur) waarmee ze fiscale fraude in hoofde van haar eigen cliënteel toeliet. De onderneming kreeg een zware sanctie opgelegd: 200 % boete op de btw die ze had aangegeven op de verkoop met afhaling van goederen! Het ging om een groothandelaar in frituurproducten die leveringen aan frituuruitbaters aangaf steeds als verkoop met afhaling van goederen zonder de gegevens van de uitbaters te vermelden op de documenten in zijn boekhouding. Hij was overigens niet aan zijn proefstuk toen, aangezien hij voor dezelfde feiten reeds eerder was veroordeeld. Hoewel de groothandelaar de btw op zijn leveringen had betaald, werd hij veroordeeld tot een boete van 200 % van de btw op de omstreden goederen die hij had verkocht met afhaling van goederen Volgens de Rechtbank stond deze boete in verhouding tot de begane inbreuk en de ernst van de feiten. We kunnen deze rechtspraak alleen maar toejuichen. Belasting- en btw-plichtigen die de fiscale wetgeving schenden zadelen anderen die de wetgeving naleven op met de gevolgen van hun inbreuk. Voortaan moeten zijn die door bewuste fouten fraude plegen beseffen dat ze hoofdelijk aansprakelijk zijn voor inbreuken door zij de fraude bevorderen, al was het om legitieme commerciële redenen. We zullen deze rechtspraak in verband brengen met de argumenten die aan de oorsprong van bijzondere heffing van 309 % op geheime commissielonen: Wie een derde wil bevoordelen door hem anoniem een commissieloon of honorarium toe te kennen, doet dat op eigen risico. Hij zal de belasting en de bijzondere forfaitair bepaalde heffing (309 % van het niet-aangegeven bedrag) betalen in plaats van de fraudeur. In de inkomstenbelastingen bestaat er een wettelijke bepaling die dergelijke sancties voorziet. In het kader van de btw biedt de rechtspraak terecht de administratie dezelfde wapens om te strijden tegen fraudeurs en zij die dergelijke handelspraktijken mogelijk maken.
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 01.02.2006 Advocaten: Meester G.Poppe - voor de eiseres Meester A. van Lidth de Jeude - voor de Belgische Staat Relevante feiten Eiseres is geregistreerd voor de activiteit van groot- en kleinhandel in frituur- en restaurantartikelen. Volgens het proces-verbaal van 19 maart 2002 betreft het echter een groothandel in frituurbenodigdheden waar frituuruitbaters zich komen bevoorraden gezien ter plaatse vastgesteld werd dat 1) er geen winkelinrichting is voor verkoop in het klein: - de verkoopinrichting bestaat uit volgende delen, namelijk kantoor, magazijn op kamertemperatuur, diepvriesmagazijn, koelmagazijn, - de producten op schabben staan of op de grond, - er geen prijsaanduiding is, - er geen toog is, - er geen kasregister is, - er geen afgescheiden ruimte is voor verkoop in het klein, - er geen specifiek personeelslid is voor winkelverkoop, - de meeste producten door hun aard en verpakking voor beroepsgebruik geschikt zijn, 2) op de verzamelstukken duidelijk blijkt dat er vooral grootverpakkingen verkocht worden. Volgens het proces-verbaal van 9 september 2002 was eiseres aldus gehouden voor alle leveringen een factuur uit te reiken aan haar medecontractant en heeft zij ten onrechte aan diverse afnemers geleverd zonder voor deze leveringen een geldige factuur uit te reiken; op de opgestelde stukken werd de identiteit van de diverse afnemers niet vermeld, maar wel "kasverkopen". De administratie heeft voor deze "kasverkopen" een geldboete opgelegd van 200%. Beoordeling Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal Krachtens artikel 59§1 W.BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren. Betreffende de motivering van het dwangbevel en het proces-verbaal Zoals hierna vermeld is het niet relevant of er al dan niet particuliere verkoop is geweest zodat de processen-verbaal van 19 maart 2002 en 9 september 2002 en het dwangbevel aldus voldoende gemotiveerd zijn. Betreffende de verkoop "kleinhandel" Krachtens artikel 53,2° W.BTW zijn belastingplichtigen, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek hebben, gehouden een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten. Krachtens artikel 1§2 KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de BTW is de belastingplichtige ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik, doch deze ontheffing is niet van toepassing op onder meer de hierna vermelde handelingen, namelijk: 6° de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit, 7° de leveringen verricht in inrichtingen of op plaatsen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren, 8° de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven. De vermeldingen in het proces-verbaal van 19 maart 2000 dat 1) er geen winkelinrichting is voor verkoop in het klein: - de verkoopinrichting bestaat uit volgende delen, namelijk kantoor, magazijn op kamertemperatuur, diepvriesmagazijn, koelmagazijn, - de producten op schabben staan of op de grond, - er geen prijsaanduiding is, - er geen toog is, - er geen kasregister is, - er geen afgescheiden ruimte is voor verkoop in het klein, - er geen specifiek personeelslid is voor winkelverkoop, - de meeste producten door hun aard en verpakking voor beroepsgebruik geschikt zijn, 2) op de verzamelstukken duidelijk blijkt dat er vooral grootverpakkingen verkocht worden, werden door de ambtenaren door eigen waarnemingen vastgesteld, zodat deze vaststellingen - krachtens artikel 59§1 W.BTW - dan ook het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen. Uit voornoemde vaststellingen blijkt ontegensprekelijk dat - de leveringen gebeurden in een inrichting die normaal niet toegankelijk was voor particulieren en / of - de leveringen gebeurden door een grossiersbedrijf en / of - de goederen, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij werden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd waren voor een economisch gebruik, zodat de ontheffing van de factureringsplicht - krachtens voornoemd artikel 1§2 KB nr. 1 van 29 december 1992 - dan ook niet van toepassing was. Bijgevolg was eiseres voor alle leveringen ertoe gehouden een factuur uit te reiken, ook voor de leveringen aan natuurlijke personen die de goederen voor hun privé-gebruik bestemden. Het is dan ook bewezen dat eiseres voor de "kasverkopen" ten onrechte geen facturen heeft uitgereikt. Betreffende de verkeerde toepassing van het tarief van de geldboete Volgens eiseres dient de geldboete herleid te worden tot 60% op grond van tabel C van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat eiseres voor dezelfde overtreding in het verleden reeds werd beboet en zij op 28 augustus 1996 hiervoor een akkoord heeft ondertekend zodat er geen sprake is van goede trouw. Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres, door voor de "kasverkopen" ten onrechte geen facturen te hebben uitgereikt en de identiteit van de diverse afnemers niet te hebben vermeld, de ontduiking van de belasting mogelijk heeft gemaakt zodat - krachtens artikel 1, laatste lid van voornoemd KB nr. 41 van 30 januari 1987 - voornoemde tabel C niet van toepassing is. Betreffende de motivering van de geldboete De overtreding en de geldboete werden voldoende gemotiveerd in de processen-verbaal van 19 maart 2002 en 9 september 2002 en in het bestreden dwangbevel. Betreffende de beoordeling van de geldboete Zoals hoger vermeld heeft eiseres de ontduiking van de belasting mogelijk gemaakt en de rechtbank is van oordeel dat de geldboete van 200% in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten. Betreffende de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Zoals hoger vermeld was eiseres voor alle leveringen ertoe gehouden een factuur uit te reiken, ook wanneer zij goederen leverde aan natuurlijke personen die ze voor hun privé-gebruik bestemden. Reeds in voornoemde akkoordverklaring van 28 augustus 1996 werd uitdrukkelijk vermeld dat de ontheffing van de factureringsplicht niet geldt "ten aanzien van leveringen in verkoopsinrichtingen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren, of door voortbrengers-grossierbedrijven die niet bijzonder zijn ingericht voor de verkoop in het klein en evenmin van toepassing is op de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik". Uit geen enkel element blijkt dat de administratie de indruk heeft gewekt dat het eiseres was toegestaan om niet te factureren aan particulieren zodat er geen sprake van is dat de beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden. Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden. OM DIE REDENEN DE RECHTBANK, Rechtdoende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af. Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding Rechtbank: P. Wolles, enig rechter
|